Bammetjes

Hij legt het boek naast zich neer op zijn vaste plek in de wachtruimte van perron zeven. Stralen boren zich onbarmhartig door zijn bril. Pokkezon. Hij pinkt een traan weg en denkt aan haar. Hij hoort hoe ze zingt onder de douche. De muren zijn van strokarton. Het water klettert van haar lichaam. Goudblonde natte haren, de geur van lavendel shampoo, zijn waternimf. Haar zelf gemaakte melodietje stroomt het afvoerputje in. Hij wacht op de hoge uithaal aan het eind. Een C of een D? Wat maakt hij zichzelf wijs? Hij kan nog geen mol van een kruis onderscheiden. In zijn zak rinkelen sleutels aan een bos met een konijnenpootje, maar daar zit al lang geen muziek meer in. Blind voor geluk van zijn wijdvertakte levensboom. Majestueus groeiend met alomtegenwoordige pijn. Intimiteit als opdringerig aangeleerd behoeftegedrag. Een krampachtige schoolslag in een baarmoederige relatie. Gatverdamme! Kaas met dikke boter. Ze weet toch dat ik daar een hekel aan heb. Bammetjes. Voor onderweg. Met liefde gesmeerd. Dat dan weer wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *