Maandelijks archief: december 2020

Kerst in Coronatijd

‘App jij…?’  

Vermoeid prevelt hij zijn woorden voor zich uit, maar ze gaan verloren in de nimmer aflatende wind. Hij is wat achterop geraakt.

Niet verwonderlijk, zijn twee reisgenoten zijn samen net zo oud als hij. Ze sjokken in het mulle zand voor hem uit, op gepaste afstand zoals het hoort.

Een warme windvlaag doet hem wankelen.

Hij grijpt de teugel van zijn kameel steviger beet. Het beest reageert onmiddellijk en trekt zijn kop terug. Hij wordt daardoor meegetrokken en valt achterover in het zand.

Zijn schreeuw gaat half verloren in de doek voor zijn mond.

Even later ligt hij op zijn rug en denkt hij aan zijn familie die hij thuis achterliet.

De kleine Muchar en zijn lieve Machajla.

Wat zouden zij nu doen? Kunnen ze nog dadels en vijgen plukken op het land? Mogen ze hun waar nog verkopen op de markt of is dat nu ook al verboden?

Hij mist hun verhalen bij het haardvuur met Machajla dicht tegen hem aan. De zoete geur van haar huid. Muchar knikkebollend aan zijn voeten. 

Komen de vriendjes van Bechola nog spelen?

Wordt er nog les gegeven in het dorpshuis? De oude Yehudi had hij de laatste tijd immers niet meer buiten gezien.

De wekelijkse dorpsviering lijkt een herinnering uit een ver verleden.

‘Gaat het?’

Hij kijkt de toegesnelde en voor hem knielende jongeling in de ogen. De rest van zijn gezicht is verborgen achter de sluier van zijn tulband.

‘Caspar, app jij enig idee hoe ver het nog is?’ mompelt hij opnieuw. Zijn Ethiopische accent is onmiskenbaar.

‘Het is niet ver meer. Daar, achter die heuvels.’

Hij pakt de lange wandelstok van de oude man voorzichtig aan de onderkant beet en reikt hem die aan. 

’Kom overeind Balthasar.’

Schuin achter Caspar’s hoofd ziet Balthasar plots hun felle ster tussen de schimmige wolkenflarden die voorbijdrijven en hij hervindt kracht.

Dit baken leidt hen tot God mag weten welke bestemming, drijft hen voort en geeft hoop in deze donkere dagen. 

Hij trekt zich op aan zijn stok en gaat zitten.

‘Twijfel jij nooit, Caspar?’ 

Hij ziet hoe de ogen van de jongeman zich vernauwen terwijl tegelijkertijd zijn wenkbrauwen omhoog gaan. 

‘Dat jij, de wijste van ons drieën, mij deze vraag stelt betekent veel voor me. In deze huidige tijd waar niets is wat het lijkt denk ik vaak hoe het kortgeleden was in mijn kindertijd. Alles was zo anders toen, onbezonnen. Geen verantwoording, geen onzekerheden. Slechts spelen, kletsen rond de waterput met mijn vrienden en ‘s avonds binnen aanschuiven voor een warme maaltijd met de hele familie. Het borrelen van de waterpijpen van mijn ooms. De bulderende lach van vader. Met mijn broers en zussen allemaal samen in het grote bed en moeder die ons in slaapt zingt. Vaste waarden en rituelen, daar hecht ik aan. Zij waren mijn houvast, maar nu? Ik weet het niet Balthasar, het is moeilijk.’

Achter hem de zware stem van Melchior. ‘We moeten gaan.’

Zwijgend trekt de karavaan verder. Ergens in de verte blaft een hond.