Categoriearchief: Gedichten

Water en vuur

vertrokken van een leeg perron

de route die ik voor ons plande

op weg naar een centraal station

‘ik hou van jou’ zei jij,  je jende

mijn vleesgeworden zonnewende

geen nader doel, bestemming geen

‘oprecht verliefd’  is wat ik pende

mijn hart een dorp, jouw stad van steen

.

ik kwam,  ik zag,  ik overwon

het paard, de teugels die ik mende

verlangend waar het ooit begon

blijf ik hier tot aan ‘t ende

de bron van kwaad en van ellende

de stad bedreigend om me heen

mijn ziel gevangen in jouw bende

mijn hart een dorp, jouw stad van steen

.

geloftes zwaar in licht carbon

tegenover reverende

een hobbezak en maatjapon

wanhopig zoekend naar duende

ik wenste dat je kleur bekende

helaas mijn lief, je bleef sereen

‘n wegwerpartikel dat me scande

mijn hart een dorp, jouw stad van steen

.

je prins, Isabelle Allende

blijf ik altijd,  voor jou alleen

ons sprookje bleek nochtans legende

mijn hart een dorp, jouw stad van steen

Babylonische spraakverwarring

de Secretarisvogel schreef met Franjepoten

laat die vogelvrij

de Kwikstaart Papagaaide snel Hop Hop

de Draaihals Kraaide Tureluurs stop stop

en de Winterkoning zei

dit is met algemene snavels aangenomen

waarop de Koereiger euforisch loeide

de Kwak in extase knoeide

en massaal gefluit klonk uit de bomen

moet je eens Hoornvogels, roerde de Roerdomp aan

ik vind het niet Slechtvalk, laten we aan tafel gaan

aan Tafeleend, zei de Scharrelende Kokmeeuw

om en om, dus jongen meisje, jongen meisje

Oehoe, snap je Snip, vroeg de Waterspreeuw

Kauwend op een sauSijsje

gesnaveld werd er aan de dis, ze zaten husje Musje

de Monniksgier at, het Nonnetje bad

de Kerkuil braakte en de Frater vrat

het Paapje deed een slaapje, de Grutto deed een dutje

de Pimpelmees die zat er, en zei ‘k heb zo’n Plevier

ze zetten zo de Tapuit, zei de dronken Lammergier

Fuut blies de Fluiter, jullie hebben genoeg gehad

drink maar uit de Kraanvogels, water is er zat

doe niet zo Rotgans, zei de Kemphaan, ik heb reuze dorst

ik geef je een Klapekster en Trap je op je borst

’n Vlaamse Gaai, de Burgemeester Jan van Gent

was in taalstrijd met een Wielewaal, uitslag onbekend

de Casarca gaf een Bokje, verRoest Gans zei de Kroet

au riep de Krakeend, de Matkop raakt mijn snoet

‘t is kinderlijk eenvoudig, bracht de Ooievaar naar voren

het gefladder verstomde, want een ieder Wouw het horen

het nest is leeg, zei de Reiger onbewogen

de zwerm zag en zweeg, de vogel was gevlogen !