Categorie archief: Verhalen

en ik dan ?

I

mijn tranen stromen, diep van binnen, een zee van verdriet

de man hier voor me, advocaat, een collega, lacht en ziet ze niet.

de lieve lach op zijn gezicht, hij reikt naar mijn hand, mijn hand die zich terugtrekt van zijn goddelijk lichaam, zich onttrekt aan lichamelijk contact, aan ieder contact eigenlijk, contact in de ruimste zin van het woord, het woord dat niet gesproken mag worden, dat alsmaar groter wordt, dat boven ons hangt, een hangende kwestie, een kwestie van kiezen of delen, maar delen kan ik het niet.

niets fijner dan dit, zoals hij me vraagt, een dag naar het strand, dit strandt in mijn hoofd, mijn hoofd staat er niet naar, naar word ik er van, van die normale dingen, dingen die normaal zijn voor een ander, maar niet voor mij, mijn wereld draait om iets anders, iets anders wat alleen ik weet, wel weet maar niet kan vertellen, nog niet, niet vandaag, maar morgen, morgen misschien, misschien dan, dan kan ik mijn geheim delen, delen met hem, maar vandaag moet ik weer naar hem, mijn vader, hij wacht op mij, zoals ik gebonden ben aan mijn zwijgplicht, evenzo zit hij gebonden, gesnoerd en gevangen, gevangen in zijn wereld van drank en verdriet.

verdrietig denk ik, kon ik maar blijven, blijven bij hem, en met hem naar het strand, het strand zoals vroeger, vroeger toen alles nog was zo het was, de was, wit en bont, bont en blauw, voor de slagen, de klappen, die volgden door ruzie en drank, de drank, de bron van het kwaad, van kwaad werd het erger, het ergert me nu, nu hier net als toen, toen ik klein was en niets wist van dat leven, dit leven, dit lijden, dit bitter nu, nu hier te zijn, verlangend naar zijn zoen.

een zoen op mijn wang van mijn moeder, mijn lieve moeder die uit mijn leven verdween, zomaar toen, toen ik als kind haar zo nodig had, had ik wat kunnen doen, deed ik niet genoeg, genoeg was het voor haar, zij hield het niet meer uit, hield zij dan niet van mij of van hem, van mij nog wel, van hem niet meer, meermaals had zij bij me gezeten met tranen in haar ogen, ogen die levenloos oogden, een loos leven leidend, lijdend, niet leidend, niet in staat om nog richting te geven, aan wat, aan wie, aan mij, aan hem, aan haar zelf, zelfreflectie, zelfbespiegeling, zichzelf een spiegel voorhoudend, zei ze hier houdt het op, dit moest ze doen.

iets doen, iets werkelijk doen, doen voor een ander, die ander die wegkwijnt in drank en in onmacht, hulpeloos, laveloos, dronken en vuil, vies, vervreemd van een ieder, ieder die hem lief was, met wie hij lief en leed deelde, doe ik daar goed aan, zo vraag ik mij af, ik vraag, en ik wik en ik weeg, ik verplaats en ik twijfel, twijfel aan mij, vertwijfeld maak ik die keuze, die keuze voor jou, jij die zo kwaad bent op alles, alles wat was, is, en wordt, wordt het ooit beter, beter dan dit, dit wat er nu is, is dit het nu?

ik aanschouw, reageer, en deel mee in ellende en kwaadheid, en ik ben kwaad, ik ben boos, boos op mezelf, omdat ik zelf kies voor dit leven, dit leven van zorgen, zorgen voor jou, want jij en ik, wij zijn verbonden, verbonden in liefde, in liefde en pijn, met pijn in mijn hart, moet ik hard constateren, wie ben ik, wat doe ik, wat kies ik, kies ik voor mij, voor het kind, voor de dochter, de vrouw, voor hoop, voor geluk, voor mijn leven dat wacht, mijn leven ver weg, ver weg van dat al, of wacht ik op jou, jij in jouw wereld, jouw wereld van alcohol, van angst en van wanhoop, van weemoed, verdriet, van boosheid en lijden, leid me uit dit doolhof, verlos me van dit duivels dilemma, bedenk ik me cru.

 

II

een duivels lachje op je gelaat, gelaten laat ik het toe, toe maar, lach maar, maar lach me toe, niet uit, uit ga ik niet, niet meer althans, thans woon ik alleen, alleen zijn is erg, maar samen zijn is erger, want dan erger ik me aan jou, en jij aan mij, en aan mijn drankzucht.

een zucht van verlichting als ik die fles laat staan, maar ik heb er recht op, en ik sta rechtop om als een schuinsmarcheerder naar de keuken te waggelen, stommelend, herhalend, mezelf verbeterend, beter is het om dit te laten, maar laat me maar, ik weet niet beter, beter wordt het niet, niet meer, maar zeker niet minder, minderen kan altijd nog zeg ik tegen mezelf, mezelf gelovend, geloof jij nog in die vlucht?

geloof jij nog in mij persoonlijk, dit minzaam persoon, dit levend lijk, lijkt het je wat om samen te leven met mij, gewoon omdat het kan, omdat het moet, omdat jij mijn kind en ik je vader ben, omdat je van me houdt en ik van jou, ondanks alles of dankzij alles, alles is vergeefs maar niet vergeten, vergeten doe ik veel, onthouden niet, ik ben geen geheelonthouder zeg ik met een grap, een grap is wat het is voor mij, voor jou is het serieus: toe papa, laat het staan.

ik wil wel maar ik kan niet, ik kan niet zonder, en neem een slok en slik en ontspan, en kijk je met bloeddoorlopen ogen aan, mijn vensters van de ziel, mijn ziel ben ik allang verloren, verloren in een zee van drank, drinken om te vergeten, vergeten hoe het was , met je moeder, die mij verliet, verlaat je nooit op een ander, een ander die je niet kunt vertrouwen, trouw nooit of te nimmer, verander nooit, blijf trouw aan jezelf, met jezelf te leven is een straf, en ook een straf voor jou, dit neem ik mezelf kwalijk, dat ik je dit heb aangedaan.

aangedaan kijk je me aan en wil je me troosten in mijn verdriet, mijn tranen laat ik nog niet de vrije loop, loop niet bij me weg mijn kind, maar pak mijn hand, mijn bevende hand, van die jarenlange greep naar de fles, die mijn geest de fles heeft ingezogen, en zuigt tot dit wat ik nu ben, een schil van een man , een residu, een leeg omhulsel, gehuld in een grijs schimmig pak met een te groot vel, met kringen onder de ogen, kringen op tafel, tafel en bed, mijn bed kom ik nauwelijks nog uit, ik lig en bevuil mezelf, en voorzie mezelf in mijn dagelijkse behoefte, mijn behoefte, geen pies of poep, maar alcohol, mijn vriend, mijn fles, mijn steun, mijn toeverlaat, mijn god, mijn duivel, mijn hemel, mijn hel, mijn alles, mijn kind.

ik beloof dat ik stop, maar morgen, morgen pas, niet vandaag, vandaag drink ik er nog een, eentje op de goede afloop, een afloop gewis die komt voor mij en jou, en jij mijn kind, mijn engel, mijn redding, bent er voor mij, en ik voor jou, want wij kunnen de wereld aan, deze wereld waar ik besta en blijf, hoewel, hoe lang, wie zal het zeggen, zeg me eens, is er nog wat, toe schenk me nog een keer bij, t’is half vol en half vol is bijna op, dus op naar een volgend glas, een glas weerspiegelt mijn gelaat, gelaten zucht ik, een zucht van verlangen, verlangend naar liefde van mijn kind, verlangen naar de drank die wint.

en toch mijn kind, mijn alles, die ondanks alles bij me blijft, en me niet verlaat, nietig als ik ben in dit bestaan, hoe bestaat het dat je hier bent, je bent bij mij, hier, op dit moment, dit moment gaat weer voorbij, voorbij met alle zorgen, zorg je voor mij, en ik voor jou, want ik heb hier een drankje dat je lust, ik lust hem wel, wellustig grijp ik naar de fles, en ook naar jou, ik val uit, je ontwijkt me met speels gemak, ongemakkelijk val ik naast het bed, en schreeuw in razernij, ik raas en tier, ik kwijl en ik vloek, sla, kots en glijd over de vloer in mijn eigen vuil.

uitgevloerd kijk ik je aan, terwijl je me optrekt naar het bed, verdoofd laat ik me helpen, in slow motion veeg je mijn mond af om me te fatsoeneren, jij die het fatsoen hebt om mij te verzorgen, met grote zorgen, en ik kijk je aan en smeek je, geef me er nog een, de laatste voor vandaag, want morgen, morgen echt, dat weet je toch dat ik stop, zowaar ik hier lig, zo waarlijk helpe mij god almachtig, onmachtig als ik ben, slik ik, snik ik, en ik huil.

mijn tranen stromen, onophoudelijk, een zee van verdriet

de fles op tafel, advocaat van de duivel, lacht en geniet.

De engel en de leugenaar

Hun lange blonde haren dansen in de wind. Ze fietsen hard om er op tijd te zijn. Half acht begint het bij Schröder, nog zes minuten. Alle stoplichten tegen natuurlijk. Ze knallen over de stoeprand en kwakken hun fietsen tegen de boom. Opschieten. Fiets op slot. Rennen.       ‘Ik moet nog wel plassen’, zegt haar vriendin.                                                                                               ‘Ik wacht wel even hoor’,  zegt ze en denkt: dan hoef ik niet alleen naar binnen.                      Ze bekijkt zichzelf in de spiegel in het damestoilet. Dat haar!                                                           Ze pakt een elastiekje uit haar tas en maakt een staart. Beter.                                                       Een bel gaat. Haar vriendin komt het hokje uit.                                                                                         ‘Schat, zo kan ik absoluut niet naar binnen.’                                                                                              Ze begint uitgebreid haar haar te borstelen.                                                                                           ‘Deo graag en lipgloss.’                                                                                                                                         ‘Klaar?’, zegt ze enigszins geïrriteerd, ‘het begint.’                                                                                 ‘Zo kan het wel. Ik moet natuurlijk wel een “entry” maken, zo’n eerste les.’                               Ze lopen het toilet uit en kijken door de opengeklapte dubbele deuren de zaal in.                     Links staan de meisjes, rechts de jongens.                                                                                                  Ze krijgt een kneep in haar arm.                                                                                                                   ‘Daar gaan we dan’, zegt haar vriendin,  waarop ze met haar kin omhoog, heupwiegend naar binnen loopt, midden door de zaal.                                                                                                         Ik haat het als ze dat doet, denkt ze. Ze haast zich achter haar aan en wenst dat ze onzichtbaar is.

Kijk daar, die met die staart.                                                                                                                                 – Wow, die is knap.                                                                                                                                                   Durf jij haar te vragen ?                                                                                                                                           – Ikke niet. Doe jij maar.                                                                                                                                      Nee joh. ik zou niet weten wat ik moest zeggen.                                                                                         – Laat maar, ze gaat weg.

Ze staat buiten. Haar vriendin blijft nog even bij het vrij dansen. Ze moest nog wat uitleg vragen aan de leraar, zei ze, over die ene oefening, weet je wel.  Toegegeven, hij ziet er leuk uit maar hij had haar vader kunnen zijn. Niets voor haar.                                                                         Als ze haar fiets van het slot zet ziet ze het. Lekke band!                                                                           Wat nu? Naar huis lopen of wachten?                                                                                                   Hulpeloos kijkt ze om zich heen en ziet hem naar buiten komen, met zijn hoofd naar beneden en zijn handen in zijn zakken.                                                                                                     ‘Heb je een pomp?’, roept ze. Ze schrikt van zichzelf. Dat doet ze normaal nooit.                 ‘Wat?’ Hij kijkt op en loopt naar haar toe.                                                                                                      ‘Hoi, misschien een rare vraag, maar heb je een fietspomp voor me? Mijn band is slap, zie  je.’ Terwijl ze naar haar achterband wijst draait ze haar hoofd en haar lange staart zwiept over haar schouder.                                                                                                                                              Van dichtbij is ze nog mooier, denkt hij, en zijn hart maakte een sprongetje.                        Cool blijven nu.                                                                                                                                                   ‘Uh, ja hoor’, mompelt hij, ‘ik haal mijn fiets even.’                                                                                  Waarom zegt hij dat? Zenuwen? Hij is immers met de bus gekomen.                                           Hij kijkt om zich heen en ziet een groene Gazelle met een pomp. Die heeft hij nodig.             ‘Hier’, zegt hij, en geeft de pomp aan haar.                                                                                          ‘Dank je. Wil jij het even proberen? Ik kan dat niet zo goed.’                                                         Even later zegt hij ietwat buiten adem, ‘die is echt lek. Dat wordt lopen. Moet je ver?’              ‘Best wel, Delftplein.’                                                                                                                                        ‘Dat is mijn kant op. Planetenlaan.’                                                                                                        Quasi nonchalant vervolgt hij: ‘Je mag wel achterop bij mij, dan breng ik je thuis.’                 ‘Fijn.’                                                                                                                                                                            En nu dan, slimmerik?, denkt hij.                                                                                                                  Hij voelt onhandig in zijn zakken en trekt een pruillip. ‘Shit! Ik ben mijn fietssleutel kwijt.’ ‘Zielig. Het ziet er naar uit dat we allebei gaan lopen’, zegt ze en ze lacht.                                      De lach van een filmster.                                                                                                                                  ‘Ja, zullen we dan maar, ik haal die van mij morgen wel op.’                                                           ‘Oké. Ik ben Lisa, trouwens.’                                                                                                                               ‘Bart.’                                                                                                                                                                           Zo lopen ze door nachtelijk Haarlem, voor even verbonden, de engel en de leugenaar.     ‘Best spannend, zo’n eerste les’, zegt hij, ‘ik wilde je al vragen vanavond.’                                   ‘Ik zag je wel kijken hoor.’                                                                                                                                       Langs Grote Houtstraat, over de Grote Markt. Bij Grand Cafe Brinkmann is het best druk voor een zaterdagavond.                                                                                                                                         ‘Nog een drankje?’, vraagt hij hoopvol.                                                                                                         ‘Ik moet naar huis, mijn moeder wacht op me.’                                                                       Rijksstraatweg, Vondelweg. Het onontkoombare einde nadert.                                                       ‘Tot volgende week dan.’                                                                                                                                   ‘Kweenie, zegt ze, proefles hè.’                                                                                                                         Ze steekt vlug over want het groene voetgangertje begint te knipperen.                                       Hij blijft staan. Het stoplicht springt op rood.

Bekroond verhaal nav. de verhalenwedstrijd met als thema ‘Zaterdagavond’ van Schrijverspunt. Het verhaal zal worden opgenomen in een bundel die begin oktober zal worden uitgebracht.

Met vereende krachten a Paris

Niet gehinderd door stroomstoringen, ‘geen zin’ of vergeten paspoorten kedengen we per Thalys 2e klas naar Parijs, met 1e klas verzorging in de vorm van cafe eau croissants door Eveline en Kelvin van NS International en Sunnycars. Na drie uurtjes aangenaam verpozen in zuidelijke richting arriveren we bij een zonovergoten Gare du Nord waar vijf 2CV’s met open dakjes uitnodigend op ons staan te wachten. Een indeling is snel gemaakt en on y va ! Yves – fulltime Parisien en parttime friseur – is de chauffeur van onze automobile en loodst ons met franse slag door de drukke donderdagochtend chaos in een twee uur durende ervaring exceptionnelle . “Oh-la-la !” is een veelgehoorde kreet onderweg en ondanks vrachtwagens die de route blokkeren, afbrekende richtingaanwijzers, rode stoplichten die genegeerd worden door medeweggebruikers verzorgt Yves een Frans-Engelse stand-up comedian show. Wij doen gezellig mee en staan dus regelmatig rechtop in onze cabrio te genieten van wonderlijke wetenswaardigheden en speciale weggetjes waar je normaal niet komt. Via een busbaan neemt James Bond een afslag, en-passant een politie-auto snijdend en even later hobbelen we langs karakteristieke woonboten over een klinker kade bij de Seine. Wauw ! Via de highlights van Paris zoals de Notre Dame, het Louvre, Dôme des Invalides en Pont Neuf arriveren we bij La Tour Eiffel waar het groepsgevoel wordt vastgelegd op de gevoelige plaat. De inwendige mens moet worden verzorgd dus in een ruk naar onze etablissement cafe RUC waar wijn en water wellustig worden geconsumeerd tijdens een heerlijke lunch. We zitten vol maar er is ruimte voor vrije tijd en invulling naar keuze. Sommigen verkennen Parijs op eigen houtje en a girl running the world gaat een bloggie om. De rest van de groep is meer van bier, wijn en spelen even later samen in het park, waar een circle of trust wordt gevormd door wat stoelen te confisceren in de schaduw van enkele bomen. De vogeltjes fluiten. Schijt aan alles en heerlijk keuvelend genieten van een drankje. Er wordt gelachen en je steekt er nog wat van op ook: Voulez-vous kakke avec moi ? Met de metro verplaatsen we ons naar de Thalys lounge bij Gare du Nord waar we ons opfrissen voor de terugreis. De eerste klas in de vorm van een hapje, drankje en diner smaakt ons goed. Moe maar voldaan rol ik des avonds met een big smile mijn mandje in, nadat ik in de groeps-app “Parijs 2017” nogmaals heb genoten van het muzikale cinematografische hoogstandje van Kelvin. Het leven is mooi !

Sunnycars, NS International en reis-collega’s, bedankt.

à bientôt!