Twente

Achtopsterwedde

“Toegangspoort tot weelderige wandelroutes. Enorm enerverend? Natuurlijk niet. Twente trekt een enkeling. Tuffels, watermölle, erve, noaber. Twentse tongval, een ervaring. Toeristische traktatie. Wie wil een emotie? Naakt natuurschoon. Twente top! Echt eerlijk. Geniet van Twentse gastvrijheid en typische streekgerechten. Laat u verrassen na iedere bocht. Vergezichten van weilanden, bossen en heidevelden. Dorpjes op een heuvel. Water stroomt door het hart van dit rustieke landschap. Twente nodigt u van harte uit.”                  ‘Ja ja’, zeg ik en ik druk op verzenden. Ruim binnen de deadline. Jannie, mijn buurvrouw en eigenaresse van het plaatselijke VVV-kantoor, kan hier toch niets op aan te merken hebben. We wonen hier nu zeven jaar op een prachtige boerderij in Achtopsterwedde, en delen het erf met Jannie en Berend. We delen de grond maar verder niets. Of het moeten de ergernissen over en weer zijn. Hun honden blaffen dag en nacht onophoudelijk, en lopen los achter het hek. Hij gaat gieren op het moment dat we in de tuin zitten met de hele familie tijdens een verjaardagsbarbecue. Hij steekt de bal lek van onze jongens als die bij hem op het erf stuitert. ‘Mien grond, mien recht’, mompelt hij en gooit het overblijfsel achteloos terug over het hek. Zij gaat mest verbranden, alleen bij oostenwind natuurlijk. ‘Doar kommie nooit achter’, was zijn reactie toen we hem aanspraken op verdenking van illegaal stroomaftappen.                                                                                                                                                                    Ik kijk uit het raam en daar staat ze, wit als een vaatdoek. Op onze grond! Ik stuif naar buiten. Voor ik iets kan zeggen stamelt ze: ‘Hij heeft het gedaan.’ Ze pakt mijn hand en trekt me mee. We lopen door het hek en ik zie de honden in hun hok zitten. Vreemd. We stoppen bij de openstaande deuren van de varkensschuur. Ze duwt me vooruit maar blijft zelf voor de drempel staan. Een penetrante lucht dringt zich op. Mijn ogen moeten wennen aan het licht. Dan zie ik hem. Daar hangt hij, boven de andere varkens. Ik draai me om en loop naar buiten. Ik sluit Jannie in mijn armen. We huilen samen. De honden blaffen, ongehoord.

Gepubliceerd verhaal over noaberschap in de nieuwsbrief van La Scuola, academie voor de levenskunst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *