Categorie archief: Verhalen

Opa

Ik voelde dat iemand tegen mijn schouder stootte en versuft opende ik mijn ogen. Mijn rug deed zeer van het liggen. Stijfjes kwam ik overeind. Opa hield een glanzend rode sterappel voor mijn neus. ’Goed voor de vitamientjes.’ Uit zijn broekzak haalde hij een Nuts tevoorschijn, scheurde er demonstratief het papier af en hield hem voor zijn mond, klaar om een hap te nemen. ‘Of had jij deze liever gewild?’, vroeg hij nonchalant. ‘Ja!’, riep ik enthousiast, en ik greep de reep uit zijn hand. ‘Dan is deze voor straks’, zei hij, de vrucht naast zich neer leggend. Ik nam een grote hap en met volle mond zei ik, ‘mag ik eens roeien opa?’ Hij antwoordde: ‘Natuurlijk, je bent al acht. Dat kun je best.’ Even later haalde ik de houten roeispanen door het water, eerst nog wat onwennig met veel gespetter. Na wat aanwijzingen ging het al een stuk beter en maakte ik mooie gelijkmatige slagen. Ik hoefde er niet meer over na te denken en de peddels en ik waren een. Als verlengde houten armen kliefden ze gedachteloos door het water. Ik dommelde weer weg en gaf me over aan mijn dromen.
Jij leert me fietsen. ‘Kijk opa, met zonder handen.’ Trots.
Een wolk van poedersuiker over de poffertjes in de Efteling.
‘Ik doe het nog een keer voor, goed opletten.’ Je plakt mijn band. De bonken in mijn knikkerzak schreeuwen. Ik heb afgesproken met Kees, kwart voor drie achter het fietsenschuurtje.
Het bibberspelletje wat we speelden van toen je nog geen Parkinson had.
De verhaaltjeskoets staat klaar voor vertrek, jij op de bok. De draken, trollen, gnomen rukken aan de teugels. Een fee struikelt en haar stafje valt in de modder. Een ademloze spons zit op je schoot.
Hoog op je schouders. Gebiologeerd bestudeer ik je kruin. Je krijgt al kaal haar.
Traditie. Voordat we naar huis gaan, eentje uit het rood-witte blikje, vol met Engelse drop.
Wat weet jij veel.
Minstens een week logeren. Laat opblijven. Alles mag.
De pleister die je plakt op mijn geschaafde knie. Kusje erop, over.
Dansen met oma in de huiskamer, zomaar omdat het kon.
Caravakantie! Je eigen huis op wielen mee. Ik haal koffie voor je aan “het loket”. Oma deelt uit, gebogen over de halve deur van jullie paleis.
Twee stevige armen omhelzen me van achteren. ‘Wat ruik je lekker’, hoor ik je zeggen. Ik ben gelukkig.
Klimmen wie het hoogste kan in de boomgaard. Ik win natuurlijk.
Griesmeelpudding, havermout, rijstepap, spruitjes. Jij durft alles!
Gregoriaanse liederen. Muziek tussen hemel en aarde, die iets onuitsprekelijks bevat. Je droomt weg.
Ik voel dat iemand tegen mijn schouder stoot en versuft open ik mijn ogen. Mijn billen doen zeer van het zitten. ‘Je moet gaan staan’, zegt mijn moeder, ‘het is afgelopen.’ Verdwaasd kijk ik om me heen en sta ik op uit de houten kerkbank. Ik zie hoe de kist langzaam door het gangpad de kerk uit wordt gereden. Er bovenop liggen de bloemstukken, kransen en linten maar ook een grote foto van opa met in zijn hand mijn sterappeltje.
‘Goede vaart, opa’, zeg ik zacht en ik til mijn hand op als laatste groet. Mijn andere hand zit diep in mijn broekzak en omklemt een halfgesmolten Nuts.

Opa

Prijswinnend verhaal 23 juni 2015 gepubliceerd op familieberichten.nl: http://familieberichten.nl/nl/post/32/opa

 

 

In Vredesnaam

2014-05-10 16.54.59

De soldaat kijkt nors door het open raampje van mijn landrover en zegt op intimiderende toon: ‘Paspoort!’ Ogenschijnlijk rustig overhandig ik hem mijn identiteitsbewijs, maar ik kan niet voorkomen dat mijn handen trillen. Hij inspecteert de foto, waarna hij me indringend aankijkt. Zijn mobilofoon kraakt.  Meteen wendt hij zijn hoofd half van me af. Hij blaft enkele onverstaanbare woorden in het apparaat. Te lang weg geweest, denk ik. Hij bestudeert weer de foto van mijn paspoort en kijkt me nogmaals aan. Ik probeer vriendelijk te kijken. ‘Alles oké?’ De soldaat zwijgt, bestudeert nog een keer mijn document, knikt dan kort en geeft het terug.  ‘Go!’ zegt hij, met zijn arm gebarend dat ik door mag rijden.  Ik schakel in de eerste versnelling en geef door mijn zenuwen te veel gas waardoor de banden slippen op het grind en een stofwolk veroorzaken. Rustig aan, zeg ik tegen mezelf en probeer mijn voet op het gaspedaal te ontspannen. Hortend en stotend rijd ik verder naar het centrum van Jeruzalem.      Ik zet de radio aan. Afleiding heb ik nodig.   ‘…Tears of laughter, tears of joy, for Israelian girl and Palestinian boy. Tears of sorrow, tears of pain, they both are killed, it’s all in vain…..’ Door deze protesthit realiseer ik me dat er in de loop van de jaren weinig is veranderd. Die realiteit treft me meer dan ik wil toegeven.   Niet nu, zeg ik tegen mezelf maar de gedachtestroom is niet te stoppen.  Ik zie mezelf in de deuropening staan van ons ouderlijk huis, hier in Jeruzalem. Mijn tweelingbroer Moshe speelt naast me in de zon. In zijn hand houdt hij het F-15 – gevechtsvliegtuig dat we voor onze achtste verjaardag hebben gekregen. ‘Ik word de beste piloot van Israël,’ zegt hij op triomfantelijke toon. Hij schreeuwt: ‘bra-ta-ta-ta-ta!’, het mitrailleurvuur imiterend. Hij laat zijn vliegtuig een duikvlucht maken, waarna hij het snel laat stijgen, klaar voor een nieuwe aanval. Mijn moeder pakt me van achteren zachtjes vast en haar warme stem fluistert in mijn oor: ‘Moshes toekomst is duidelijk, maar wat is jouw droom, lieverd?’ Ik draai me half om en kijk haar vragend aan. ‘Ik weet het niet mama,’ en ik haal mijn schouders op, ‘gewoon gelukkig zijn, denk ik.’   Ze omarmt en knuffelt me, en ik voel me veilig. Bij haar kan me niets gebeuren. Ik druk me steviger tegen haar aan en ruik haar zoete, vertrouwde geur. ‘Ik wil hier voor altijd blijven wonen mama, bij jou, mag dat?’ ‘Natuurlijk lieverd,’ zegt ze, ’maar als je straks ouder bent wil je dat niet meer, hoor.’  ‘Jawel. Ik ga hier nooit meer weg!’ zeg ik stellig. Om mijn woorden kracht bij te zetten, plant ik mijn armen in mijn zij en stamp op de grond.  ‘Gekkerd.’ Ze pakt me weer vast en omhelst me. Zo blijven we staan tot een daverende explosie me tegen haar aanperst en we omver worden geblazen. Brokstukken van steen raken ons overal. In een wervelende wolk van stof vallen we door de deur ons huis binnen.

Ik schrik op door luid getoeter. Een vrachtwagen op mijn weghelft dendert me tegemoet! Ik geef een ruk aan het stuur en weet het gevaarte maar net te ontwijken. Mijn handen omklemmen het stuur en ik probeer de auto weer onder controle te krijgen. Als ik met piepende banden rem, komt mijn auto in de greppel naast de weg tot stilstand. Wat een idioot! Dan pas realiseer ik me dat niet hij maar ik op de verkeerde kant van de weg moet hebben gereden. Ik laat mijn hoofd op het stuur rusten en barst in tranen uit. Twintig jaar ben ik weg geweest uit mijn geboorteland en nu dit. Ik had wel dood kunnen zijn. Het telefoontje kwam gisteren, terwijl ik druk bezig was met mijn artikel over de gemeenteraadsverkiezingen van Amsterdam.  ‘Levi, je moeder … ik heb helaas slecht nieuws voor je, jongen.’ Onbewust drukte ik de telefoon dichter tegen mijn oor.  ‘Wat? Wat bedoelt u? Wie bent u?’  Het journalistieke deel van mijn hersenen had de vragen op de automatische piloot gezet. Het emotionele deel was de verbijstering en de pijn nog aan het verwerken. ‘Ik ben het, jongen, je oom David.’   Plotseling zag ik hem voor me, met zijn kale hoofd en zijn typisch krulsnor. Een gebruinde man met een omvangrijke buik, gekleed in uniform en ondersteund door een paar kromme-sabelbenen gestoken in twee glanzend gepoetste legerlaarzen. Een imposante verschijning.   ‘Kom naar huis! Snel!’  Met deze woorden verbrak hij de verbinding.  Naar huis? Ik keek om me heen. Maar ik ben hier thuis, in mijn appartement drie hoog achter in de Vijzelstraat.

Ik zie mezelf als tienjarige zitten op de bank in de woonkamer en hoor flarden van een gesprek in de keuken. De verontwaardigde stem van mijn moeder: ‘…niet meer betalen.’ Dan een lage, mannelijke bromstem.  ‘Waarom … uit  huis?’ ‘Nooit!’ gilt mijn moeder.  Ik spring op en ren naar de keuken, duw de deur open en zie mijn moeder zitten aan de keukentafel.  Ze heeft gehuild en schrikt als ze me ziet. ‘Mama, wat is er?’   Ze draait haar hoofd van me weg. ‘David, breng Levi naar buiten.’ Achter de keukendeur staat oom David. ‘Kom jongen,’ en hij buigt zich naar me toe om me vast te pakken maar ik ontwijk zijn a rmen.  Ik denk aan de knallende ruzie die ik met haar kreeg omdat ik op mijn veertiende niet naar dat fantastische dansfeest mocht. Als mijn klasgenoten gingen wel. Te jong, moreel onverantwoord en niet veilig. Dat  waren de argumenten van mijn moeder.  ‘Je gaat niet.’ Hemel en aarde had ik bewogen om haar te overtuigen maar ze was onvermurwbaar. Moshe wilde er niet naar toe. Onbegrijpelijk. ‘Ik vraag nooit iets voor mezelf!’ schreeuwde ik tegen mijn moeder, ‘ik sta altijd voor jou klaar, en nu mag ik dit niet? Je gunt me niet eens een leuke avond? En ik moet geloven dat ik je lieveling ben, je lieverd, je schat ?’ Boos stormde ik de trap op en trok me op mijn slaapkamer terug. Later die avond klauterde ik via de regenpijp langs het slaapkamerraam naar buiten. Verwachtingsvol liep ik de feestzaal binnen. De muziekinstallatie was slecht afgesteld en kraakte, de meisjes stonden bij de meisjes, net zoals overdag op school en de jongens stonden tegenover hen en staarden maar wat. Het was achteraf niet de moeite waard geweest om het vertrouwen van mijn moeder te beschamen.

Mijn gedachten gaan terug naar ons achttiende verjaardagsfeest. Moshe en ik werden volwassen en iedereen was erbij. Al onze vrienden, kennissen en familie bij elkaar in ons ouderlijk huis, een gedenkwaardige dag. Lachen, eten. Mijn moeder proostte op ons en op het leven, op geluk, gezondheid, liefde en vriendschap. We hieven onze glazen en iedereen keek blij. Maar wat stelde het voor? Ons dagelijks leven, zo had ik de afgelopen tien jaar ervaren, werd overheerst door geweld, machtsmisbruik en corruptie. Buren groetten hartelijk als ze je zagen, maar belden achter je rug om met de autoriteiten om je gangen na te laten gaan. Deze schijnheiligheid benauwde me en deed me meer dan ooit verlangen naar het belangrijkste cadeau dat ik die dag zou krijgen: mijn eigen paspoort, mijn ticket naar de vrijheid !  Mijn moeder gaf eerst Moshe zijn paspoort aan en daarna was ik aan de beurt.  ‘Levi, je bent nu volwassen. Je bent nu verantwoordelijk voor je eigen beslissingen.’ Hoe waar dit was kon zij niet bevroeden. Het document brandde in mijn handen, ik wist wat ik ermee ging doen. Mijn besluit stond vast. Meteen na ons verjaardagsfeest pakte ik mijn spullen in mijn rugzak en sloop als een dief in de nacht het huis uit. Weg uit mijn land, maar ook weg van mijn moeder en mijn tweelingbroer.  Ik herinner me nog precies de taxirit naar Ben Gurion Airport. De chauffeur rookte en wilde de raampjes dicht houden, ook al was het warm en benauwd. Bij de security werd ik gecontroleerd, zowel mijn bagage als mijn lichaam.  En dan eindelijk de check-in, het boarden, het taxiën van het vliegtuig naar de startbaan. Hoe ik tegen mijn stoelleuning gedrukt werd bij de start en ten slotte het bevrijdende opstijgen: Het begin van mijn nieuwe leven.

En nu ben ik terug, jaren later, in mijn landrover op een stoffige weg naar Jeruzalem, na een vlucht van vierenhalf  uur.  Ik ben nieuwsgierig, maar vooral gespannen. Tientallen vragen spoken door mijn hoofd. Hoe zal ik mijn moeder aantreffen? Zal Moshe er zijn ? Wie zullen er verder zijn, zal ik nog iemand herkennen? Ik zucht diep, verman me,  start de motor opnieuw en vervolg mijn weg naar het centrum van de stad. Ik zoek naar herkenningspunten uit mijn jeugd, maar moet vaststellen dat ik zonder tomtom nergens kom. Zonder problemen bereik ik de straat waar ik ben geboren en parkeer voor ons huis. Meteen als ik uitstap valt me op dat het zoveel kleiner is dan ik me het herinner. Ik kijk naar mijn oude slaapkamerraam, ontdek de regenpijp en denk aan mijn nachtelijke escapade. Bij de voordeur is geen bel, dus ik klop een paar keer, doe een stap naar achteren en wacht af. De deur gaat open en in de opening staat een oude kale man met een kolossale buik en onmiskenbaar kromme benen:  oom David. Hij kijkt me lang en ernstig aan. ‘Je lijkt nog steeds op je broer,’ zegt hij, waarna hij zich omdraait. Ik volg hem door de gang naar de woonkamer. Ik kijk de kamer rond, er is verder niemand. Er heerst een huiselijke sfeer,  met de crèmekleurige wanden en de in dezelfde kleur geschilderde  balkjes op het plafond. Heel anders dan toen ik klein was. Rond een vierkante salontafel staan een bruine bank en een pompeuze televisiestoel, daarnaast een statief met opklapbare beugel.  ‘Maak het je gemakkelijk,’ zegt oom David, en hij verdwijnt.  Aan de wand links van mij hangt een schilderij met een militaire voorstelling:  soldaten die worden getroffen door een projectiel afgevuurd  door een tank. Lang kijk ik naar de vertwijfeling op hun gezichten. Door de afgerukte ledematen is het een gruwelijk tafereel, misplaatst in deze huiselijke omgeving. Ik hoor de elektrische rolstoel eerder dan dat ik die zie. ‘Wat vind je van mijn kunstwerk, broertje?’ In de deuropening van de keuken kijkt Moshe me vanuit zijn rolstoel grijnzend aan.  ‘Goed getroffen, hè.’ Hij  laat een schamper lachje horen.  ‘Excuses voor de woordspeling.’ Spottend vervolgt hij: ‘Laat jouw onbevooroordeelde mening eens horen, meneer de journalist.’ ‘Moshe, ik denk niet dat ik…’ ‘Wat? Dat jij niet de aangewezen persoon bent om een mening te geven over wat er met me is gebeurd. Juist wel.’ Hij rijdt de kamer in en komt vlak voor me tot stilstand. ‘Kijk er nog maar eens goed naar en vertel me dan wat je ziet.’ Aandachtig bekijk ik het schilderij en zie de treffende gelijkenis met het soldatengezicht in het midden. Hij kijkt me recht aan, kinderlijk onschuldig en oprecht verbaasd, terwijl zijn onderlichaam uiteengereten wordt door een heftige explosie. Het is alsof ik in een spiegel kijk. Ik deins achteruit.   ‘Moshe, ik heb me nooit gerealiseerd hoe het voor jou moet zijn geweest.’ Al die jaren was ik alleen maar bezig met mijn eigen interessante leven in Nederland. ‘Een levende hel! In ons militaristische Israël verachtte men mij om wat ik geworden was: een half mens.’ Hij bijt me de woorden toe. ‘Ik voelde me bijna een Palestijn.’ Hij spuugt het laatste woord uit. Zijn aderen in zijn nek zijn opgezwollen en hij ademt zwaar. ‘En jij.’ Zijn stem breekt.  ‘Wat doe jij, mama’s lievelingetje, zodra je de kans krijgt? Je vlucht weg van haar, weg van mij, weg van ons! En nu heb je het lef om hier te komen als ze op sterven na dood is. Hoe durf je?’  ‘Moshe, in vredesnaam, stop,’ klinkt een zachte, breekbare stem. In de deuropening naast de keuken staat oom David met in zijn armen een oude, fragiele vrouw. Nee…ja? Mama?Oom David loopt met haar de kamer in en zet haar voorzichtig neer op de bank. Mama gebaart ons dichterbij te komen en kijkt ons liefdevol aan. Ze pakt onze handen vast. ‘Lieverds, jullie zijn me al die tijd even dierbaar geweest.’   Ik zie dat het spreken haar moeite kost. Ze is broodmager en sterk verzwakt. ‘Mama, jij was de enige die me bleef zien als degene die ik was voor de aanslag,’zegt Moshe teder, “jij hebt me al die jaren met liefde en zelfopoffering verzorgd. Daar ben ik je eeuwig dankbaar voor. Ik hou van je, mama.’ Hij tilt haar hand op en geeft er een innige kus op. Ze kijkt Moshe diep in de ogen en zegt zacht: ‘Waar liefde woont, is geen plaats voor haat.’ Haar stem is nauwelijks meer dan een fluistering. We buigen ons naar haar toe om haar beter te kunnen verstaan. Haar zoete lichaamsgeur overweldigt me en roept herinneringen op uit mijn jeugd. Haar haren mooi opgestoken, glimlachend naast een palmboom, in een prachtige jurk op weg naar de synagoge,het eten op tafel voor de sabbat. Ik slik. Ze fluistert: ‘Laat het verleden rusten en wees verdraagzaam.  Laat de vrede toe in jullie hart, zodat er een kans bestaat voor vrede in Israël.’  Ik heb een brok in mijn keel. Met volle overtuiging zeg ik: ‘Dat beloof ik. Kunnen jullie me vergeven?’ Mama’s blik zegt me genoeg. Maar Moshe? Hoopvol kijk ik hem aan en ik zie hoe een enkele traan langzaam over zijn rechterwang naar beneden glijdt. ‘Ik weet nog dat we samen kakivruchten zochten,’ zegt hij, ‘lang geleden’. Hij veegt de traan weg met de rug van zijn linkerhand, waarna die in zijn schoot terug valt. Mama kijkt van mij naar hem. Ze zegt niets meer maar haar blik heeft geen woorden nodig.  Moshe denkt lang na en geeft dan antwoord.