Leef

Leef om te leven, te proeven, te geven

Leef in gedachten, in dromen, niet wachten

Leef om te wonen, met dochters en zonen

Leef nu en niet morgen, met liefde en zorgen

Leef om te dwalen, te reizen, verhalen

Leef in het heden, gedenk het verleden

Leef !

voor je het weet ben je GROOT

As  j’t vergeet ben je Dood

levensdrangk

I

mijn tranen stromen, diep van binnen, een zee van verdriet                                                               de man hier voor me, advocaat, een collega, lacht en ziet ze niet.

de lieve lach op zijn gezicht, hij reikt naar mijn hand, mijn hand die zich terugtrekt van zijn goddelijk lichaam, zich onttrekt aan lichamelijk contact, aan ieder contact eigenlijk, contact in de ruimste zin van het woord, het woord dat niet gesproken mag worden, dat alsmaar groter wordt, dat boven ons hangt, een hangende kwestie, een kwestie van kiezen of delen, maar delen kan ik het niet.

niets fijner dan dit, zoals hij me vraagt, een dag naar het strand, dit strandt in mijn hoofd, mijn hoofd staat er niet naar, naar word ik er van, van die normale dingen, dingen die normaal zijn voor een ander, maar niet voor mij, mijn wereld draait om iets anders, iets anders wat alleen ik weet, wel weet maar niet kan vertellen, nog niet, niet vandaag, maar morgen, morgen misschien, misschien dan, dan kan ik mijn geheim delen, delen met hem, maar vandaag moet ik weer naar hem, mijn vader, hij wacht op mij, zoals ik gebonden ben aan mijn zwijgplicht, evenzo zit hij gebonden, gesnoerd en gevangen, gevangen in zijn wereld van drank en verdriet.

verdrietig denk ik, kon ik maar blijven, blijven bij hem, en met hem naar het strand, het strand zoals vroeger, vroeger toen alles nog was zo het was, de was, wit en bont, bont en blauw, voor de slagen, de klappen, die volgden door ruzie en drank, de drank, de bron van het kwaad, van kwaad werd het erger, het ergert me nu, nu hier net als toen, toen ik klein was en niets wist van dat leven, dit leven, dit lijden, dit bitter nu, nu hier te zijn, verlangend naar zijn zoen.

een zoen op mijn wang van mijn moeder, mijn lieve moeder die uit mijn leven verdween, zomaar toen, toen ik als kind haar zo nodig had, had ik wat kunnen doen, deed ik niet genoeg, genoeg was het voor haar, zij hield het niet meer uit, hield zij dan niet van mij of van hem, van mij nog wel, van hem niet meer, meermaals had zij bij me gezeten met tranen in haar ogen, ogen die levenloos oogden, een loos leven leidend, lijdend, niet leidend, niet in staat om nog richting te geven, aan wat, aan wie, aan mij, aan hem, aan haar zelf, zelfreflectie, zelfbespiegeling, zichzelf een spiegel voorhoudend, zei ze hier houdt het op, dit moest ze doen.

iets doen, iets werkelijk doen, doen voor een ander, die ander die wegkwijnt in drank en in onmacht, hulpeloos, laveloos, dronken en vuil, vies, vervreemd van een ieder, ieder die hem lief was, met wie hij lief en leed deelde, doe ik daar goed aan, zo vraag ik mij af, ik vraag, en ik wik en ik weeg, ik worstel en twijfel, twijfel aan mij, vertwijfeld maak ik die keuze, die keuze voor jou, jij die zo kwaad bent op alles, alles wat was, is, en wordt, wordt het ooit beter, beter dan dit, dit wat er nu is, is dit het nu?

ik aanschouw, reageer, en deel mee in ellende en kwaadheid, en ik ben kwaad, ik ben boos, boos op mezelf, omdat ik zelf kies voor dit leven, dit leven van zorgen, zorgen voor jou, want jij en ik, wij zijn verbonden, verbonden in liefde, in liefde en pijn, met pijn in mijn hart, moet ik hard constateren, wie ben ik, wat doe ik, wat kies ik, kies ik voor mij, voor het kind, voor de dochter, de vrouw, voor hoop, voor geluk, voor mijn leven dat wacht, mijn leven ver weg, ver weg van dat al, of wacht ik op jou, jij in jouw wereld, jouw wereld van alcohol, van angst, van wanhoop, van weemoed, van verdriet, van boosheid, van lijden, leid me uit dit doolhof, verlos me van dit duivels dilemma, bedenk ik me cru.

II

een duivels lachje op je gelaat, gelaten laat ik het toe, toe maar, lach maar, maar lach me toe, niet uit, uit ga ik niet, niet meer althans, thans woon ik alleen, alleen zijn is erg, maar samen zijn is erger, want dan erger ik me aan jou, en jij aan mij, en aan mijn drankzucht.

een zucht van verlichting als ik die fles laat staan, maar ik heb er recht op, en ik sta rechtop om als een schuinsmarcheerder naar de keuken te waggelen, stommelend, herhalend, mezelf verbeterend, beter is het om dit te laten, maar laat me maar, ik weet niet beter, beter wordt het niet, niet meer, maar zeker niet minder, minderen kan altijd nog zeg ik tegen mezelf, mezelf gelovend, geloof jij nog in die vlucht?

geloof jij nog in mij persoonlijk, dit minzaam persoon, dit levend lijk, lijkt het je wat om samen te leven met mij, gewoon omdat het kan, omdat het moet, omdat jij mijn kind en ik je vader ben, omdat je van me houdt en ik van jou, ondanks alles of dankzij alles, alles is vergeefs maar niet vergeten, vergeten doe ik veel, onthouden niet, ik ben geen geheelonthouder zeg ik met een grap, een grap is wat het is voor mij, voor jou is het serieus: toe papa, laat het staan.

ik wil wel maar ik kan niet, ik kan niet zonder, en neem een slok en slik en ontspan, en kijk je met bloeddoorlopen ogen aan, mijn vensters van de ziel, mijn ziel ben ik allang verloren, verloren in een zee van drank, drinken om te vergeten, vergeten hoe het was, met je moeder, die mij verliet, verlaat je nooit op een ander, een ander die je niet kunt vertrouwen, trouw nooit of te nimmer, verander nooit, blijf trouw aan jezelf, met jezelf te leven is een straf,  en ook een straf voor jou, dit neem ik mezelf kwalijk, dat ik je dit heb aangedaan.

aangedaan kijk je me aan en wil je me troosten in mijn verdriet, mijn tranen laat ik nog niet de vrije loop, loop niet bij me weg mijn kind, maar pak mijn hand, mijn bevende hand, van die jarenlange greep naar de fles, die mijn geest de fles heeft ingezogen, en zuigt tot dit wat ik nu ben, een schil van een man, een residu, een leeg omhulsel, gehuld in een grijs schimmig pak met een te groot vel, met kringen onder de ogen, kringen op tafel, tafel en bed, mijn bed kom ik nauwelijks nog uit, ik lig en bevuil mezelf, en voorzie mezelf in mijn dagelijkse behoefte, mijn behoefte, geen pies of poep, maar alcohol, mijn vriend, mijn fles, mijn steun, mijn toeverlaat, mijn god, mijn duivel, mijn hemel, mijn hel, mijn alles, mijn kind.

ik beloof dat ik stop, maar morgen, morgen pas, niet vandaag, vandaag drink ik er nog een, eentje op de goede afloop, een afloop gewis die komt voor mij en jou, en jij mijn kind, mijn engel, mijn redding, bent er voor mij, en ik voor jou, want wij kunnen de wereld aan, deze wereld waar ik besta en blijf, hoewel, hoe lang, wie zal het zeggen, zeg me eens, is er nog wat, toe schenk me nog een keer bij, ‘t is half vol en half vol is bijna op, dus op naar een volgend glas, een glas weerspiegelt mijn gelaat, gelaten zucht ik, een zucht van verlangen, verlangend naar liefde van mijn kind, verlangen naar de drank die wint.

en toch mijn kind, mijn alles, die ondanks alles bij me blijft, en me niet verlaat, nietig als ik ben in dit bestaan, hoe bestaat het dat je hier bent, je bent bij mij, hier, op dit moment, dit moment gaat weer voorbij, voorbij met alle zorgen, zorg je voor mij, en ik voor jou, want ik heb hier een drankje dat je lust, ik lust hem wel, wellustig grijp ik naar de fles, en ook naar jou, ik val uit, je ontwijkt me met speels gemak, ongemakkelijk val ik naast het bed, en schreeuw in razernij, ik raas en tier en kwijl en vloek en sla en kots en glij over de vloer in mijn eigen vuil.

uitgevloerd kijk ik je aan, terwijl je me optrekt naar het bed, verdoofd laat ik me helpen, in slow motion veeg je mijn mond af om me te fatsoeneren, jij die het fatsoen hebt om mij te verzorgen, met grote zorgen, en ik kijk je aan en smeek je, geef me er nog een, de laatste voor vandaag, want morgen, morgen echt, dat weet je toch dat ik stop, zowaar ik hier lig, zo waarlijk helpe mij god almachtig, onmachtig als ik ben, slik ik, snik ik, en ik huil.

mijn tranen stromen, onophoudelijk, een zee van verdriet                                                                de fles op tafel, advocaat van de duivel, lacht en geniet.

De 3e Kamer

Zaterdagmiddag in café de 3e Kamer, Amsterdam-West. Het zwaarlijvige diplomatieke corps zit aan de toog. Vrienden zonder opleiding, zonder werk, politiek onschendbaar. In de kantlijn van de samenleving  zijn ze volks vertegenwoordigd, met een uitgesproken mening. De voorzitter, een geachte afgevaardigde met grijs gemillimeterd haar, oorring, leren jas en spijkerbroek, zit op de praatstoel. Ik luister van achter mijn krant stiekem mee. ‘… Het gezin is de keilsteen van de samenleving en dat is niet aan dovemansogen gericht. Een goed verstaander heb maar een half oor nodig. En een gehoorapparaat van Specsavers. Een spekkie in je nekkie, zeg maar. Neem nou zo’n onthoofding. Dat IS de nekslag voor de democratie. We moeten ons koppie er bij houden. Zo denk ik erover. Die politiesi kennen gewoon geen gezichtsverlies lijen, daaro. Het is één grote roversbende. Alqalibaba en de veertig revolvers. Kalifanaten zijn het allemaal! Doe nog effe een rondje, Charlie.’  Zijn bruingele wijsvinger maakt een cirkeltje boven de bar. Met instemmend geknik wordt deze motie aangenomen. In no time staan de goudgeel gedecoreerden in het gelid rond de asbak, klaar om soldaat gemaakt te worden. Rook- noch drankverbod zijn hier van toepassing.                                                                                                                                              ‘Charlie, heb Do nog iets van zich laten horen? Nix, noppes, nada zeker. Voor mij geen surprise hoor, maar ze had op zijn minst een briefie kennen schrijven. Maar nee, zelfs geen belletje. Ze is bang dat ze afgeluisterd wordt. Want dat is ook een wet van meten en persen, die afluisterpraktijken van de dna. Het is een utopia om te denken dat ze dat niet doen.’  Hij buigt dichter naar zijn toehoorders en gaat op samenzweerderige toon verder.     ‘Volgens mij luistermussen ze alles af, als een soort big mama, internet, mobiele telefoons. What’s app, goes down, zeg ik altijd maar. Voor mij geen aandelen. Al die multinationaliteiten zoals facebook en twitter. Dat is mij veels te linked in. Het is code oranje net als bij die veilingheidsdiensten KGB en C&A. Dat zijn toch schoenenreuzen vergeleken bij onze AIV&D. Die zitten gewoon te slapen en zijn een blokker aan ons been. Het is tijd voor action.’                                                                                                                                             ‘Hier, hier!’ roepen de fractieleden en slaan hun handen in steunbetuiging plat op de tapkast, ook om de volgende voorraad spraakwater te bespoedigen. Charlie begrijpt de hint. De voorzitter rolt ondertussen een shaggie en gaat verder.                                                         ‘Tijm is mannie, jongen. Neem nou Pieters’ zoon Koen hier, dat is een held. Wat deze jongen allemaal niet doet voor ons hier in de buurt. Daar zouden ze nou eens een film over moeten maken. Hij staat op de barracuda’s in strijd met de gemeente om de zilvervloot binnen te halen. Aan hem zou ik met een geklutst hart mijn spaarcenten toevertrouwen, veel veiliger dan zo’n Zwitserse bank. Niks wegsluizen of bankgeheim, de fiscus weet alles. Dat zwarte geld van die wittebrood criminelen komt met een noodgang als een discus weer terug. Daar ken je de koekkoek gelijk mee zetten. En voor je het weet knallen ze elkaar hier weer overhoop op straat. Liquidatie middelen genoeg.’                                                   Hij pauzeert even en klokt zijn biertje in een paar teugen leeg. Bevoorrading is onderweg ziet hij goedkeurend.                                                                                                                                               ‘Kijk, ik hou van Nederland maar ik haat Europa. Ik krijg echt een oepsie-dus complex als ik denk aan al dat geld dat we hebben weggegeven. Pleurop man, wat ‘n griekse tragedie! Dat kennen we beter zelf houden. Of het hier zo goed gaat vraag ik jullie af. Met die benzineprijzen van tegenwoordig ken ik alleen nog op de fiets. Maar die wordt om de papaverklap gejat door een of andere junk of gokverslaafde die aan match-fietsing doen. Nog zoiets. Denken jullie dat die Cillesen nou niet een punnaltie had kennen stoppen op dat WK. Ach man, dat is toch allemaal verkocht aan die Argentijnse groenta. En zo’n afhaal-chinees heb Den Haag in handen. Ons clubhuis in de fik gestoken. Die afgekeurde gloeilampen bijna kampioen. Het is een grote global verwarming.’                                                   Men zwijgt in de saamhorige cocon aan de bar. De wereldproblematiek in een notendop. ‘Dit rondje is van mij jongens,’ zegt Charlie en hij zet weer een half elftal neer. Pindaschillen liggen mistroostig op de grond. De grey eminence zucht en strijkt met zijn hand over zijn hoofd. ‘Na vijftig tel je hier niet meer mee. Ik kom nauwelijks mijn bed nog uit, terwijl anderen banen stapelen. Al die ontzuinigingsplannen van die haagse prinsjes, daag! Die sparren de kroon. Reden voor mij om te zeggen: dit is mijn kabinet niet. Die lui slaan de balk zo vaak mis, dat ken in het Guinness boek of rackets. Wat dacht je van ITC affaire, de bouwflauwte of de ongezondheidszorg? Of zo’n onderzoek achteraf naar de MH17, de Fyra en de Noord-Zuid lijn. Dat geld is mooi permanent uitgecheckt van je OV-chipknip kaart. De enigste waar ik nog van in openbare vervoering raak is ons eigen Trijntje. Maar als ik dan hoor dat Australie ook mee gaat doen aan het Eurovisiesongfestival, dan denk ik: ze zijn het spoor bijster.’                                                                                                                                    Enige kennis van zaken kan hem niet worden ontzegd. We moeten blijven nadenken, discussiëren, vragen stellen en geloven. Geloven dat praten de oplossing is en blijven communiceren. Ik neem nog een slokje van mijn Hollands bakkie Irish Coffee. Werelds!